Ik noemde haar vosje. Omdat ze altijd zo sierlijk en geslepen was. Geen enkele verdediging was veilig voor haar. Ze woonde in mijn dierenbos aan de rand van de aangrenzende stad. Daarom was ze ook niet schuchter of verlegen. De stad was geen gevaar voor haar. Iedereen uit de drukke, dichtbevolkte menigte kende haar. Omarmde haar omdat ze zo leuk en spontaan was. Als ze haar snoet liet zien, beschut achter een boom van ons roemrijke dierenbos, dan kon je niet anders dan haar roepen. Hopen dat ze kwam en haar brede lach liet zien die altijd gepaard ging met grote dansende pretoogjes. Ze was geliefd. Zowel in het dierenbos als daarbuiten. Je kon ook niet anders dan haar omarmen want ze gaf je altijd een gevoel van onbevangenheid. De wereld kon nog zo slecht zijn maar als zij in de buurt was dan deerde de wereld en al haar agressie en geweld je niet. Dan werd je vrolijk en had je zin om te dansen op de maat van dansende druppels die neerkwamen uit een donker wolkendek en uiteenvielen terwijl jij de ritmische bewegingen vol bleef houden omdat je superieur was in het grote geheel. Regen of zonneschijn, het maakte niet uit. Als het vosje kwam dan was je niet bang voor je eieren. Die gaf je gewoon omdat je het haar gunde. Je nam haar op in je veilige omgeving en liet haar toe tot je familie. Je vertrouwde haar en zij beschaamde dat nooit. Als je floot dan kwam ze en als je haar nodig had dan was ze er. En altijd wees ze met haar pootje ten teken van genegenheid en aandacht. Ze gaf je het gevoel dat je nooit alleen stond want ze wees naar jou. Jou alleen en jij wist het. Woorden waren overbodig. Het gebaar was voldoende. Ik struin door de bossen van mijn eens zo roemrijke dierenbos op zoek naar mijn vosje die inmiddels uitgegroeid is tot een volwassen vos. Ik kan haar niet vinden. Fluitend en roepend vervolg ik mijn weg langs de bomen. Hopende op een blik van haar aanwezigheid. Waar is ze toch. Een gevoel van eenzaamheid overvalt me. Ik mis haar verdomme. Mijn bos is niet hetzelfde zonder die vos. Dat is regen zonder druppels of een zon zonder warmte. Ik kan niet zonder haar. Ik voel me leeg en verlaten. De bomen komen langzaam op me af en nog altijd geen spoor. De vogels fluiten hun hoogste lied en het bos is veranderd. Jonge dieren hebben hun nesten verlaten en zoeken hun weg in de wereld. Ik geniet bij het ontspruiten van al die ontwikkelingen in ons roemrijke dierenbos. De bomen zijn groen en de bladeren weelderig. De lucht is blauw en de zon bedekt me met warmte. Toch heb ik het koud. Ik heb last van rillingen naarmate ik het einder van mijn drukbevolkte bos ben genaderd. Mijn hoofd begint te tollen en gedachten vechten om een weg naar mijn bezinning. Het zal toch niet waar zijn. Aan het einde van het bos terwijl mijn gezichtsveld vervaagt ervaar ik een gedaante in de verte. Een poot gaat omhoog en een glimlach verschijnt. Plots schrik ik wakker en een traan ontsnapt aan mijn ijzeren façade. Waarom ben je toch de stad in gegaan.