Vroeger was ik heer en meester. Koning van de woestijn. Ik regeerde in mijn land van geluk waar ik zelf de wetten bepaalde en geen concessies deed. Ik accepteerde niets behalve mijn eigen gedachten. Leefde volgens de normen van mijn utopie. Was ik egoïstisch? In zekere zin wel, al wil ik het niet zo noemen. Ik zorgde voor mezelf en voor de mensen om mij heen. Ik deed dat alles op mijn eigen manier en volgens mijn eigen visie. Ik hield zo weinig mogelijk rekening met een ander als dat tegen mijn gedachten gang in ging. Ik was trots en handelde daar ook naar. Gevoelens waren mij vreemd. Die belemmerde mij alleen maar in mijn doen en laten. Ik hield geen rekening met anderen want dat deed men ook niet met mij was mijn devies. Zo leefde ik en zo regeerde ik. Ik had vrienden in overvloed en iedereen liep met me weg. Althans zo leek het maar dat maakte niets uit want, wat men achter mijn rug zei daar voelde ik toch niets van. Hoe men werkelijk over me dacht wist ik toch niet en dat deerde me ook niet want ik had er geen last van. Iedereen deed wat ik wilde en ik deed alles zonder scrupules. Min of meer was ik een gelukkig mens. Ik stond op met een lach en ging naar bed met een lach. Als er problemen waren dan loste ik die op naar mijn believen en als er iets ernstig was dan stapte ik daar vrij snel over heen. Ik klaagde nooit en niemand beklaagde zich bij mij. Wat een rust. Ik liep door de woestijn van mijn gedachten en kwam niemand tegen om mijn pad te belemmeren. Ik was alleen waar niemand me stoorde. Koning van mijn lichaam en heerser over mijn gevoelens en wroegingen. Achteraf misschien geen mooie maar wel een bevredigende tijd. Een tijd waarin ik ondanks alle tegenslagen en alle ellende altijd rechtop in de wind liep en met gratie iedereen passeerde. Waar is die tijd gebleven? Heden ten dagen loop ik gebogen door de straten. Mijn woestijn is veranderd in een gevaarlijk kruispunt waar iedereen voor mijn voeten loopt en omkijkt met een grimas van donder op. Ik leef naar de wetten van god en naar de geboden zoals zij ooit bedoeld waren. Ik ben niet vroom maar doe wel mijn best. Charades en protocollaire parades zijn nog steeds niet aan mij besteed maar ik loop wel mee in de burgerlijke optocht waar iedereen lacht omdat de wereld dat nu eenmaal verwacht. Ik ben veranderd in een stripfiguur. Een gemanipuleerde creatie die zelf niet meer kan denken maar alles doet op de automatische piloot die bestuurd wordt door gevoelens en emoties. Ik houd rekening met iedereen en toon begrip voor de gedachten van een ander. Ik doe wat men van me verlangt en stel geen eisen. Ik heb mijn kroon afgezet en mijn titel ingeleverd. Ik ben niets meer dan een schaduw van iemand die ooit in de belangstelling stond en aanzien genoot van mensen die er misschien niet toe deden maar wel bepaalden hoe gelukkig ik was. Ik treur in stilte en niemand die het ziet. Mijn trots is vervaagd tot een wezenloze ideologie en mijn ziel is niets meer dan een schim. Zelf ben ik behangen met melancholie en ik warm me met de gedachten dat wat ik doe ooit zal lonen. Maar stiekem verlang ik terug naar die tijd. Toen ik koning was van de woestijn. Zonder scrupules en zonder gevoel. Toen ik opstond met een lach en de nacht trotseerde met opgeheven zwaard. Toen ik ten strijde trok tegen de maatschappij met als devies: Ik heb haar niet gecreëerd. Terwijl ik dit schrijf stel ik de belangrijkste vraag uit mijn leven. Is dit wat ik wil?