Sinds jaar en dag betrap ik mezelf erop dat ik mijn afkomst aan het verloochenen ben. Ik ben geboren en getogen in Helmond en opgegroeid met “kiek nie zo skèl” en “hawt oewe smoel”.
Zinnen die voor mij net zo duidelijk zijn als “Kopje koffie meneer van Lieshout”.
Maar door de jaren heen ben ik me gaan schamen voor mijn afkomst. De manier waarop ik praat en mensen wel 3 keer vragen wat ik nu eigenlijk tegen ze zei. Of als ik door de binnenstad loop en het gevoel heb dat ik in donker Africa op vakantie ben. Of nog erger. Als ik in de winkel sta en Engels moet praten omdat het poolse Juffie geen Nederlands kent, laat staan Helmonds.
Kortom, ik ken mijn eigen stad niet meer en op sommige plekken voel ik me niet eens meer thuis.
Ik heb zelfs geopperd om te verhuizen, iets wat vroeger een taboe was.
Ik was trots op Helmond. Hoe meer men tegen me zei dat ik niet deugde als ze erachter kwamen waar ik vandaan kwam, des te meer ging ik op de Helmondse toer. In 84 zijn ze helemaal gek geworden toen die van Lieshout in dienst moest.
Ik vertikte het om mijn Helmondse afkomst te verbergen en zei tegen die dienstdoeners bijv. “zit nie me oew vurrik in oew eike te brassen” waarop ze me aankeken alsof ik Turks tegen ze praatte.
De officieren verstonden me niet en ik schold er vrolijk op los in de wetenschap dat ze er toch geen ene mallemoer van verstonden. Bovendien ging ik er stiekem prat op dat ze in Helmond een beetje lak aan de regels hadden. In de ogen van die koekers boven de rivier waren wij een stelletje vrijbuiters die overal schijt aan hadden. Die van Helmond Sport deden er nog een vrolijk schepje bovenop door overal te verkondigen dat ze “ne growte smoel hebben en ginne skrik”. Ik ging kapot in dat hoge noorden. Als ik mijn karabijn geblinddoekt uit elkaar haalden, vertelde ik hun dat wij dat met de paplepel ingegoten kregen. Je had die ogen moeten zien.
Als we op het E3 strand afgewezen werden door een paar gekke lallen dan riepen wij. “zon zeik weif as gai heb ik ok nie noddig”.
Kortom. We stonden boven de rest van Nederland. We hadden onze eigen taal en onze eigen cultuur.
MAAR DAAR IS NIKS MEER VAN OVER BESTE MENSE.
De meeste Helmonders schamen zich voor hun afkomst. Ik hoorde daar ook bij. Ik zeg hoorde want ik ben gered door mijn oude klasseleraar Louis van de Werff.
Vroeger droeg ik hem al op handen maar nu is hij helemaal mijn held!
Ik was bij hem op bezoek omdat hij toegezegd heeft de vormgeving van mijn nieuwe boek te gaan verzorgen. Fijne vent hè.
Niettemin we raken in gesprek omdat ik vroeg wat zijn nieuwe functie als Keioloog nu eigenlijk inhield. Ik zag dat steeds voorbij komen maar dacht steeds dat het iets karnavalesk was.
Niets is minder waar. Daar waar een paar oer Helmonders op omroep Brabant vertelden dat ze het jammer vonden dat de Helmondse taal aan het verdwijnen is, daar is onze Louis actie aan het voeren, weliswaar op een ludieke manier, om juist het tegendeel voor elkaar te krijgen.
Em daar hou ik van mensen. Iemand die niet loopt te zeuren en te klagen maar juist actie onderneemt. Hij geeft complete symposiums over het Helmonds en heeft zelfs een geheel eigen Helmonds alfabet voor kinderen ontworpen. Ik mocht er één in ontvangst nemen en dat was voor mij het teken om in te zien dat ik verkeerd bezig was. Het stond symbool voor datgene wat ik kwijt was geraakt door de jaren heen.
Ik heb ooit een gedicht geschreven over Helmond wat overgoten was met spot naar buiten toe en de adoratie droop ervan af. Ik doe wederom een poging om oud zeer om te zetten in gepaste trots.
Ik laat mijn stad niet afnemen door azijn slurpende zeikstokken die hierheen geëmigreerd zijn vanuit het hoge noorden om dat onze economie beter is dan boven de rivier. En ik laat me niet wegjagen uit de binnenstad door die import afrikanen en andere economische profiteurs die hier heen zijn gekomen om een graantje mee te pikken en vervolgens de rest van de bewoners het leven zuur maken.
Ik trek ten strijde in het kielzog van mijn generaal Louis en als hij me opdraagt om een lezing te geven dan doe ik dat. Als hij me vraagt om een pamflet te vervaardigen dan is het er al. Als ik zijn geloof mag verkondigen dan wordt ik een discipel. Het Helmonds mag niet verdwijnen en de mensen moeten weer met goed fatsoen door de binnenstad kunnen lopen.
Aan de kassa wil ik op zun Helmonds iets bestellen en afrekenen en als dat juffie me niet verstaat dan ga ik wel ergens anders heen. Rot toch op. Ik ben nen Helmonder en ben daar trots op.
Ik verlos mijn oude T-shirt weer van de motteballen met de tekst. “nobody like us, we don’t care” en zet mijn petje op met het logo van Helmond erop en loop weer met opgeheven hoofd door de stad, terwijl ik onze geuze kreet door de straten laat schallen “Growte smoel en ginne skrik”.
Helmond rulez, sodemieter toch op!