Soms heb ik er nog wel eens last van. Die ellendige dromen waarbij ik in een eindeloos diep gat val en mezelf niet af kan remmen. Hoe verder ik val, hoe groter de paniek. Ondertussen weet ik wat het betekend. Ik ben nog steeds bang voor de dood. Die ellendige metgezel die ons begeleid op ons pad naar het licht. Badend van het zweet wordt ik dan wakker alvorens het besef van de feiten die maar door mijn hoofd blijven malen. Nooit meer zien hoe de mens zich evolueert. Nooit meer ervaren hoe de industrie zich ontplooit. Nooit meer lopen op de aarde en genieten van de geneugten des levens. De dood komt steeds dichterbij en soms denk ik; what the fuck. Dan kijk ik om me heen en denk dan aan mijn dromen. Is het dan echt zo erg. Om nooit meer deel uit te moeten maken van alles om me heen. Onze maatschappij die uitmondt in een dystopie. De mensen die elkaar het licht in de ogen niet meer gunnen. Oorlogen die bestreden worden via het social media. Wat een ellende allemaal. Misschien dat ik daarom niet meer zo vaak, badend in het zweet, wakker wordt van die droom die me vroeger zo achtervolgde. Misschien besef ik dat het allemaal zo erg nog niet is. Maar het rationele krijgt altijd weer de overhand. Nu nog niet, ellendige vriend. Nu nog niet. Ik heb nog teveel om voor te leven. Achterom kijken doe ik al jaren niet meer. Dat heeft toch geen enkele zin. Een goede vriend zei ooit, wat je gedaan hebt in het verleden kun je niet meer veranderen maar wat je gaat doen in het heden, daar heb je zelf de overhand in. Petje, je had filosoof moeten worden. En dan denk ik, ach. Voor mijn oudere kinderen ben ik dan misschien een “has been”. Iemand die zijn best deed maar er uiteindelijk nooit echt in slaagde. Maar voor die kleine ben ik nog alles. De grote sterke vent, waar hij nog tegenop kan kijken. Die zijn held is en die hij dagelijks om de nek vliegt want dat is zijn beste vriend. Mooi man. Dat houdt me jong en levend. Beste beslissing die ik ooit heb genomen. Ik hoef me niet bezig te houden met die eindeloze gang. Ik hoef me niet te storen aan dat gelul en geouwehoer op social media. Ik hoef hem alleen maar te beschermen tegen de invloed van de maatschappij en daar ben ik nog altijd zelf bij. Sodemieter toch op met al die flauwekul op facebook. Alsof wij daar überhaupt invloed op hebben. Ik kijk naar die kleine die speelt met wat water. Die verlegen lacht als ik zeg dat hij het goed heeft gedaan. Die mij op mijn nek vliegt als hij net zijn ogen open heeft. Die mij een kus geeft en zegt dat ie van me houdt. En alle ellende op de wereld kan me gestolen worden. En dat houdt me dus jong en levend en die verrekte dood nog even op een afstand.